Neplog

Op Ruwe Planken NeplogWedstrijd 2007

De dood en het einde

Het doden van mensen staat me tegen. Als het even kan, vermijd ik het dan ook. En dat terwijl de dood op zich me altijd heeft gefascineerd. Let wel: die fascinatie betreft niet de vraag of er leven is na de dood. Ik ben ervan overtuigd dat de dood het einde is. Er is niets anders dan eerst het leven en dan de dood. Maar zoals sommige mensen proberen het oneindige heelal te bevatten, zo probeer ik mijn hele leven al het Grote Niets te bevatten.

Maar een leven nemen doe ik liever niet. Omdat het leven een waardevol en kostbaar bezit is. Iemand die een leven neemt, maakt zich schuldig aan diefstal. En stelen staat me ook tegen.

Je zou kunnen argumenteren dat het aanvullen van mijn verzameling ook stelen is. Ik neem tenslotte bezittingen weg zonder toestemming van de nabestaanden. Zelf zie ik dat niet als stelen. Ik ben een conservator, of misschien een chroniqueur. Ik behoed mensen juist voor de dood, zou je kunnen zeggen, door hun verhalen te laten voortleven.

Daarom dood ik alleen als het echt niet anders kan. Mijn vader en Robert doodde ik om het horloge, dat behoort toe te komen aan iemand die het verhaal ervan op waarde weet te schatten. Een paar andere mensen heb ik gedood omdat hun verhalen te mooi waren om niet meteen veilig te stellen, of omdat de verhalen anders zouden verdwijnen.

Maar gisteravond heb ik gedood uit pure woede en angst. En dat veracht ik. Als emoties de boventoon voeren, gaat het namelijk altijd mis, dat is een vaststaand gegeven.

Ik was het niet van plan, ongeacht mijn eerdere posts in dit blog. Mijn moeder was vierenzeventig en had veel verdriet en een zwak hart. Met wat geduld was het binnenkort ook vanzelf wel gekomen. En geduld bezit ik normaal in overvloed.

Maar ze wist het. Ze wist wat er met Robert en vader gebeurd is. Hoe, dat weet ik niet, maar het kwam niet onverwacht. Ze was slim, mijn moeder. We kregen er ruzie over, en ik kon mezelf niet meer beheersen. Stom.

Het ziet er totaal niet uit als zelfmoord. En dus zullen ze me verdenken, en misschien gaan ze dan ook vragen stellen over de andere twee. Tot overmaat van ramp heeft ze na ons gesprek over het vermiste horloge de code van de kluis veranderd. En dus kan ik er niet bij. Mijn pronkstuk is verloren, in elk geval voor mij. Kluiskrakersvaardigheden hebben nooit tot mijn kwaliteiten behoord.

Ik moet nu echt onzichtbaar worden. Verdwijnen, met de noorderzon vertrekken, noem het zoals je wilt, maar ik kan hier niet blijven. Ik weet niet waar ik heen ga, maar ik zal mijn collectie hier achter moeten laten. Dat doe ik met dodelijke pijn in het hart. De mooiste stukken, zoals de Poolse armband en de saffieren broche die het begin van mijn verzameling vormde, neem ik mee.

Als iemand deze kamer vindt, en erachter komt waar al die voorwerpen vandaan komen, zullen ze denken dat ik krankzinnig ben. Gelukkig heb ik me nooit iets aangetrokken van de mening van anderen. Ik begin daar nu ook niet mee. Voor mij volstaat het dat ik zelf weet dat ik niet krankzinnig ben, maar excentriek.

Zoals elke verzamelaar pur sang excentriek is.

Plannen smeden

Stel. Stel dat ik het doe. Hoe dan? Vergif, een ongeluk, wurgen, een mes?

Te opzichtig. Mijn vader is net dood. Die kreeg een ongeluk. Hij viel van het dak toen hij de dakkapel aan het schilderen was. Zesenzeventig, en schilderen. Iedereen was daardoor zo van de wijs, dat niemand gemerkt heeft dat de ladder niet deugde.

Daar heb ik lang op moeten wachten. Ik heb die ladder al een half jaar geleden voorbereid, omdat ik wist dat hij hem een keer zou gaan gebruiken. Hij zag het niet. Zijn ogen waren achteruit gegaan. Het was ook niet zonder risico: stel nou dat mijn vader toch een schilder had ingehuurd? Maanden heb ik in spanning  gezeten.

Maar goed, mijn moeder kan dus geen ongeluk krijgen, dat is verdacht.

Ik realiseer me net dat als ik dit doe, ik mijn laatste familielid kwijtraak. Alleen op de wereld. Maar verandert er dan zoveel?

Ik hou van mijn moeder. Maar ze is te ver gegaan. En als verzamelaar moet je soms offers brengen. Toch?

Zelfmoord. Dat is het. Overmand door verdriet… Maar hoe krijg ik dat voor elkaar?

Raadsel opgelost

Die trut. Wat denkt ze wel? Mijn pronkstuk jatten! Nou, ze zal het weten!

Ik besef dat het niet netjes is om zo over je eigen moeder te praten. Maar ik ben woedend. Ik belde haar een half uurtje geleden, omdat ik toch wilde weten wat er met het horloge gebeurd is. Misschien wist zij het.

En of ze het wist!

"Dat heb ik in de kluis gelegd. Het is zo’n prachtig klokje, het zou zonde zijn om het in de kist te laten liggen." zei ze. Het lef! Ik moest op mijn tanden bijten, anders was ik tegen haar gaan schreeuwen.
"U hebt gelijk, moeder. Maar zo’n kluis, dat is toch ook zonde?"
"Tja, wat moeten we er anders mee? Het is een herenhorloge, ik kan het niet dragen."
"Dan geeft u het toch aan mij?"
"Van mij mag je het hebben, jongen, echt waar. Maar dat wilde je vader niet."
"Hoezo? Wat wilde hij niet?"
"Dat jij het kreeg. Het was voor Robert, en voor niemand anders, zei hij."

Ik stond perplex. Robert was zijn oudste zoon. Maar nu ben ik dat toch? Dus is het horloge toch van mij? Blijkbaar dacht vader er anders over. Waarom? Ik zou het niet weten.

Al die moeite die ik gedaan heb om dat horloge te pakken te krijgen. En nu dit! Ongelooflijk. Ik ben een verzamelaar in hart en nieren, maar moet ik nu echt zo ver gaan dat ik mijn eigen moeder ook nog vermoord?

Diefstal!

Het zakhorloge van mijn vader zat in de borstzak van zijn jasje. Het zou makkelijk zijn geweest het eruit te krijgen. Maar het is weg.

Wie het heeft? Dat zou iedereen kunnen zijn. Vader was populair. Er zijn heel wat mensen langs geweest om afscheid te nemen, en als het voor mij makkelijk was om dat horloge te pakken, was het dat voor de dief ook.

Ik heb het nog niet aan moeder gevraagd. Ze is nog erg verdrietig, en het zou niet gepast zijn om het haar nu te vragen. Maar ik doe nu een belofte: ik zal dat horloge krijgen. Het is de kroon op mijn verzameling. Ik kan dit dus niet zomaar over mijn kant laten gaan.

Het behoort mij toe. Sinds ik Robert vermoordde, is het mijn rechtmatig eigendom.

Het verhaal van de armband

Ik verzamel dus sieraden. Kettingen, armbanden, enkelbandjes, broches, noem maar op. Het maakt me niet uit van wat voor materiaal ze gemaakt zijn, als ze me maar aanspreken. Ze moeten een verhaal vertellen, zogezegd.

Zo heb ik in de centrale vitrine een plastic armband liggen die afkomstig is van een Poolse vrouw. Zij kreeg hem van haar verloofde, de dag voordat ze zouden trouwen. Hij kwam niet opdagen toen ze bij het altaar stond. Sterker nog, hij bleek spoorloos verdwenen. Uiteindelijk bleek dat hij, onderweg naar de kerk, was gestruikeld en met zijn hoofd op een scherpe steen terecht was gekomen. Hij was op slag dood.

De dochter van de vrouw vertelde me het verhaal van de armband na haar overlijden. De armband zat om haar rechterpols, ze had hem sinds die ongelukkige dag nooit afgedaan. Het was de bedoeling dat hij met haar mee het graf in zou gaan.

Haar nabestaanden denken dat de armband inderdaad met haar meegegaan is. Het was nog best moeilijk om hem van haar pols te halen, vooral gezien de tijdsdruk. Ieder moment konden de dragers binnen komen, en ik moest de kist nog afsluiten. Ze was ook niet de magerste. Maar niemand heeft het gemerkt.

Maar voor sommige stukken moet je wat ongemak overhebben, vind ik. Anders ben je geen echte verzamelaar.

Het erfstuk

Mijn vader ligt nu opgebaard in het vertrek in mijn ouderlijk huis dat mijn moeder altijd vol trots de bibliotheek noemt. Eigenlijk is het gewoon een kamertje van 2 bij 3 dat ze overhadden, en dat ze dus volgestouwd hebben met boekenkasten en een oude sofa. Voor een open haard was geen plaats meer.

Nu de kist er staat, is er geen ruimte voor de sofa. Die staat nu in de garage. Het was een zware klus om dat ding drie trappen af te tillen, maar met hulp van de buurman is het me toch gelukt.

Het is laat geworden gisteren. Lijkverzorging is toch al niet iets dat je even met de Franse slag kunt doen, maar als het ook nog je vader is die daar ligt, ga je nog zorgvuldiger te werk. Hij zou trots zijn geweest op het resultaat. Had ik al vermeld dat hij ijdel was?

Het gouden zakhorloge van mijn vader zal binnenkort aan mijn verzameling worden toegevoegd. Ik heb al een plaatsje vrijgemaakt in de centrale vitrine, waar de echte pronkstukken staan.

Toen hij nog leefde, wilde mijn vader dat horloge nooit uit handen geven. Zelfs mijn moeder mocht er niet aankomen. Het was een erfstuk van één van zijn voorouders, speciaal gemaakt door John Harrison, in de tijd dat de Engelsen nog horloges maakten.

Het is generaties lang van vader op zoon doorgegeven, maar het was niet de bedoeling dat ik het zou krijgen. Die eer was weggelegd voor mijn oudere broer Robert. Helaas stierf Robert anderhalf jaar geleden. Zijn trouwring ligt ook in mijn vitrine.

Overlijdensbericht

Mijn vader is overleden. Zesenzeventig was hij, en zo gezond als een vis, alleen zijn ogen waren niet zo best meer. Maar een bril dragen, ho maar. Daar was hij te ijdel voor. Een familietrekje.

Mijn moeder vroeg of ik de uitvaart wilde doen. "Natuurlijk," zei ik. Intussen twijfel ik of het wel zo’n goed idee is om de uitvaart van mijn eigen vader te doen. Aan de andere kant, wie is er beter geschikt voor?

Wat een vreemde gedachten kun je hebben op het moment dat je zulk nieuws krijgt. Het eerste dat mij door het hoofd schoot toen mijn moeder het gisteren vertelde, was dat ik haar moest vragen naar mijn vlinderverzameling. Ik realiseer me dat dat vreemd en ongepast is. Ik heb het dus ook niet gevraagd.

Ik ga nu naar mijn moeder, om de begrafenis te bespreken.

Mijn verzameling

Genoeg over mijn werk. Hoe gelukkig ik er ook van word, mijn verzameling maakt me nog gelukkiger.

Ik heb een vierkamerwoning, en dus heb ik één kamer ingericht voor mijn verzameling. Planken aan de muur, vitrinekasten, spotjes, de hele mikmak. Er staat ook een leunstoel. En een CD-speler, want ik mag graag naar klassieke muziek luisteren.

Vaak ga ik ‘s avonds met een goed glas rode wijn in die stoel zitten en dan kijk ik naar mijn verzameling zoals ik vroeger naar mijn vlinders keek. Waarschijnlijk zouden mijn vroegere klasgenootjes deze verzameling nog griezeliger vinden, hoewel er niets engs aan is.

Ik bedoel, het zijn geen afgehakte hoofden of dode mensen ofzo.

De telefoon gaat. Morgen meer.

mijn sociale leven

Als buitenstaander word je na verloop van tijd onzichtbaar. In mijn beroep is dat gelukkig een goede eigenschap. Voor je privéleven is het funest, dat wel. Nou, voor het mijne in elk geval.

Een paar vrienden heb ik wel, maar we zien elkaar niet echt vaak. Op verjaardagen meestal, en soms gaan we wat drinken. Ik denk dat ze me voornamelijk interessant vinden door mijn beroep. Zij hebben ‘normale’ banen als boekhouder en verzekeringsadviseur, en dan springt begrafenisondernemer er toch wel uit. Ik vind het niet erg.

Ze stellen me vragen over uitvaartplechtigheden, en over het verzorgen van overledenen, en ik vertel ze wat ik kan. Maar altijd binnen de grenzen, dat wel. Ik ben discreet. Ik noem geen namen en geef geen details die als smakeloos beschouwd kunnen worden.

Relaties, dat is een ander verhaal. Ik heb ooit een vriendin gehad, maar dat duurde niet lang. Het werd haar allemaal te depressief, zei ze na een paar weken, en weg was ze.

Daar ben ik wel even goed kapot van geweest. Ik begon zelfs te overwegen om mijn bedrijfje op te doeken en een kantoorbaan te zoeken. Maar daar zou ik zelf depressief van worden. Dit is de mooiste baan die er is. Ik ben gelukkig in dit werk.